maandag 31 maart 2014

Timmermans trekt Defensie vlot






Minister Timmermans trekt Defensie vlot

“Ik vind het pleidooi voor meer geld voor Defensie pas geloofwaardig op het moment dat je eerst de nog bestaande verspilling door de versnipperde Europese samenwerking aanpakt’’, was de reactie van minister Timmermans op de oproep van President Obama aan Europa om meer verantwoordelijkheid te tonen voor de eigen Defensie en de oproep van de Christen Unie om het Defensie budget te verhogen.

De officiersvereniging GOV/MHB juicht deze impliciete zelf opgelegde taak van Timmermans om de reeds vijftien jaar falende voornemens van regeringsleiders om deze samenwerking tot stand te brengen erg toe. Immers Timmermans heeft als minister van Buitenlandse Zaken daartoe de ideale positie in de Europese politieke arena. De GOV/MHB wijst er op dat al lange tijd een tweetal zaken nauwere samenwerking lijken te blokkeren. Het zijn de nationale parlementen die niets willen weten van het opgeven van een nationale soevereiniteit over hun strijdkrachten en het zijn de belangen van de nationale wapen industrieën die kennelijk nationaal beschermd moeten worden. Dat Timmermans nu praktische mogelijkheden ziet om deze politieke blokkades te slechten, is goed nieuws.

De officiersvereniging wijst er op dat er al veel succesvolle stappen zijn gezet op het gebied van samenwerking tussen strijdkrachten. Die hebben enige efficiency opgeleverd en zijn alle geïnitieerd door de militaire staven. Om deze successen nu te verheffen tot het politieke niveau, zou natuurlijk fantastisch zijn omdat dan veel grotere stappen gemaakt kunnen worden. Gezien het feit dat geen enkele voorganger van Timmermans dit vraagstuk met enig succes prominent op de Europese agenda heeft kunnen plaatsen, houdt de officiersvereniging forse twijfels of het dit keer dan wel gaat lukken.

Het afhouden van gesprekken over de absoluut noodzakelijke verhoging van het Defensiebudget – waarvan implementatie wellicht pas na de huidige kabinetsperiode - in de verwachting van betere samenwerking op Europees defensieterrein, met de grote kans dat wij over twee jaar niet veel verder zijn, acht de GOV/MHB onverantwoord. Tegen die tijd kunnen we zonder die maatregelen de strijdkracht van het infuus halen en haar slechts bijstaan in haar laatste bestaansmomenten.


Reactie van de Nederlandse Officieren Vereniging, 31 maart 2014

woensdag 12 maart 2014

Reactie Nederlandse Officieren Vereniging op oproep van heer Van der Staaij SGP


‘Wilders heeft gelijk,
geen geld voor de Oekraïne, we moeten de oorlog in tegen die Poetin’

Ga je ontspannen naar een kookcursus en sta je even later tegengas te geven tegen dit soort ‘oneliners’. Dat de 11 miljard euro niet direct uit ons land komt, maar door de EU ter beschikking wordt gesteld, maakt weinig indruk, want ‘Wij hebben dat betaald’. Ik leg nog een keer uit dat een oorlog veel meer ellende meebrengt en bovendien ook veel duurder is. Daarnaast hebben wij, mede op aandringen van Wilders, zoveel bezuinigd op Defensie, dat Nederland, net als de rest van Europa, helemaal niet meer in staat is om enige indruk te maken! In 1989, aan de vooravond van de val van de Berlijnse muur, had de Nederlandse krijgsmacht bijvoorbeeld nog ruim 900 tanks en 450 houwitsers (kanonnen). Anno 2014 hebben we nul tanks en proberen we de laatste 18 pantserhouwitsers te behouden, tegen de voornemens van mensen als Wilders, die meer heil zien in een veredelde politiemacht. Mijn gesprekspartner wordt pas rustig als ik toch wat geïrriteerd zeg, dat, als we van hem dan toch de oorlog in moeten tegen Poetin, we hem maar voorop moeten sturen. Nee, dat kon niet want hij had nooit in dienst gezeten.

Tegen dit soort emotionele reacties op een werkelijkheid, die toch wat ingewikkelder is, dan sommige politici ons willen doen geloven, is geen kruid gewassen. Enerzijds willen we een vuist maken tegen vermeend onrecht en anderzijds hebben we net zo makkelijk in 22 jaar de gevechtskracht van Defensie afgebroken.

Net zo ver van de werkelijkheid staan reacties op blogs waar gepleit wordt voor het stoppen van verdere uitverkoop van onze gevechtskracht; ‘Gelukkig hebben de VS, Duitsland en Frankrijk een paraplu die groot genoeg is…’. Positief hierbij is het besef dat wij voor onze veiligheid een bondgenootschap hebben. Teleurstellend echter is het kennelijk levende idee dat je als profiteur kunt blijven rekenen op je partners. Het is blijkbaar moeilijk te begrijpen dat ook een klein land naar vermogen moet bijdragen aan de gezamenlijke verdediging. Ook voor Nederland is veiligheid niet gratis, ook voor ons kost dat geld. Zo is het ook frustrerend om te constateren dat Nederland met goed fatsoen niet meer kan meedoen met een stabilisatiemissie om bijvoorbeeld in Afrika ‘law and order’ te herstellen, de levensomstandigheden te verbeteren en daarmee ongewenste migratiestromen en het daarmee gepaard gaande menselijke leed te voorkomen. Neem bijvoorbeeld het conflict in Zuid-Soedan. Daar beschikken de strijdende partijen over Russische T-72 tanks en helaas, daar zijn onze pantserinfanterievoertuigen niet tegen opgewassen.

Het is opvallend, dat alleen kleine christelijke partijen als de SGP en de CU pleiten voor herstel van de gevechtskracht. Volgens SGP-leider Van der Staaij op de SGP-jongerendag toont de situatie in Oekraïne aan dat er extra geld moet komen voor een goed uitgeruste krijgsmacht. "Poetin hou je echt niet tegen met een spoedvergadering in Brussel of met een bajonet in een roeiboot", aldus Van der Staaij. De SGP wil dat een deel van de tanks terugkomt. De Leopard 2 tanks werden in 2011 buiten gebruik gesteld; sindsdien beschikken de Nederlandse strijdkrachten daar niet meer over. Ook moeten er volgens Van der Staaij nieuwe transporthelikopters en patrouilleschepen worden aangeschaft. Van der Staaij: "Het is naïef te denken dat de wereld veiliger is geworden. Kijk naar de Krim, of het Midden-Oosten. Veiligheid gaat voor. Dan bezuinig je niet, maar investéér je juist."

De militaire denktank DenK van de Gezamenlijke Officieren Verenigingen, waar ik lid van ben, omarmt dit soort gedachten. Voor wat betreft de tanks probeert de Commandant Landstrijdkrachten krampachtig kennis en vaardigheid te behouden door onze militairen op Duitse tanks op te leiden. We beschikken over nog maar 17 tanks in opslag. We moesten zo nodig onze moderne Leopard 2 tank verkopen, nadat we die een aantal jaren geleden nog naar het modernste niveau hadden verbeterd. Met de resterende tanks zouden we net een paar tankpelotons kunnen samenstellen om een uit te zenden Nederlandse Battle Group te versterken en zo 24u/7 over extra vuurkracht te beschikken. Commandanten hebben die in Uruzgan vaak node gemist. Een hartenkreet, die op 7 maart bij een indrukwekkende gevechtsanalyse van toenmalige commandanten tijdens het Infanterie en Cavalerie symposium, nog een keer hardop werd uitgesproken. Maar ja, dat zijn slechts militairen, waarvan onze politici willen dat ze doorgaan waar anderen stoppen.

Lt. Kolonel b.d. F. Ebbelaar, Secretaris Nederlandse Officieren Vereniging -Denk

maandag 24 februari 2014

What’s next, Mr Putin


‘De beer, een van de drie mascottes van de Spelen, zorgde er in het olympisch stadion voor dat het vuur uitging. Er liepen daarbij tranen over zijn wangen.’ Aldus de Telegraaf.nl op zondag 23 februari. 

Met gemengde gevoelens zal president Vladimir Poetin terugkijken op ‘zijn’ Olympische Spelen. 
Ruim 40 miljard euro heeft dit groots opgezette olympische feest het Russische volk gekost. Hoewel de - olympische - sport en politiek streng gescheiden zijn, was er wel degelijk een politiek doel: Rusland presenteren aan de wereld; erkenning als grootmacht, het eens zo’n grote en machtige Sovjet-Russische rijk is weer terug op het speelveld van de internationale politiek.
Het is maar zeer de vraag of dat gelukt is. Afgezien van het feit dat andere wereldleiders voor het merendeel afwezig waren als officieus protest vanwege de schending van mensen- en homorechten in zijn land, was er de gerechtvaardigde angst voor terroristische aanslagen vanuit de Kaukasus. 
Sociaal-economische spanningen steken steeds meer de kop op, en tot overmaat van ramp zijn er nu de ontwikkelingen in Ukraïne die het Olympische feest in Sotsji van de voorpagina’s hebben verdrongen.

Rusland dreigt een reus op lemen voeten te worden. Het recent verschenen boek ‘Fragile Empire, How Russia fell in and out of love with Vladimir Putin’ van journalist Ben Judah (Twitter: @b_judah) geeft een ontnuchterend beeld van de (on) macht van Poetin om van zijn imperium een democratische rechtstaat te maken. Over de corruptie die tot in alle geledingen van zijn maatschappij is doorgedrongen vanwege Poetin's verbondenheid met de oligarchen met hun economische macht. Over de opkomende, ontwikkelde middenklasse die zich niet meer laat afkopen met geld. De grote demonstraties in 2011 en 2012 tegen de herverkiezing van Poetin zijn dan wel neergeslagen, maar de onvrede blijft kolken onder de oppervlakte. Het is zeer de vraag of Poetin deze middenklasse in toom kan houden. 

Poetin heeft nog een ander probleem. Hij dreigt zijn invloed in Ukraïne te verliezen. Dit land, ook wel ‘klein Rusland’ genoemd:  Ukraine behoort sinds tsarina Catherina de Grote (1729-1796) tot het Russische rijk. Meer dan eenderde van de bevolking is Russisch. Stalin en Chroesjtsjov brachten hun zomervakanties door aan de Krim. Sebastopol is nog steeds een maritiem strategisch steunpunt van de Russische vloot.
Feitelijk is Ukraïne nooit een zelfstandig land geweest. Pas in 1991 werd Ukraïne autonoom. Op papier. Het huidige Rusland heeft zijn invloed er altijd behouden. Sterker nog, het merendeel van de Russische bevolking beschouwt Ukraïne gewoon als onderdeel van Rusland.
President Janoekovitsj, die vier jaar geleden democratisch werd verkozen, verblijft nu in Charkov, in het oostelijk deel van Ukraïne, waar de bevolking voor het merendeel Russisch is. Daar vindt op dit moment een congres plaats waar ook de gouverneur van de Krim aanwezig is. Janoekovitsj, gisteren afgezet door het parlement in Kiev, weigert af te treden. Hij beschouwt zich als rechtmatig gekozen president. Het laat zich niet moeilijk raden wat dit congres zal besluiten.

U ziet de bui al hangen: een hulpkreet van Janoekovitsj aan Poetin om de Russische burgers in zijn land te beschermen, zoals wij al eerder hebben meegemaakt tijdens de Koude Oorlog: Budapest (1956), Praag (1966), en na de Koude Oorlog de kortstondige oorlog in Zuid-Ossetië (2008). Zal Poetin Janoekovitsj’ hulpkreet beantwoorden?
Zo ja, hoe? Zal Poetin kiezen voor het voortbestaan van Ukraïne als eenheidsstaat waar hij zijn invloed kan behouden. Of kiezen voor een federatie van een West- en Oost-Ukraïne, waar hij in het oostelijk en zuidelijk deel zijn invloed zal kunnen behouden, met Sebastopol als haven voor zijn Russische vloot ?

Een kat in nood maakt rare sprongen. Hoewel een militaire interventie door Poetin hoogst onverantwoordelijk en onwaarschijnlijk zou zijn, kunnen de stoppen doorslaan, zeker als daar eeuwenlange nauwe relaties aan ten grondslag liggen.
Ukraïne is onderdeel van Europa, grenst aan Polen, dat lid is van de Europese Unie (EU) en lid van de NAVO. De EU en de NAVO willen rust aan haar grenzen, maar dat wordt hoogst onwaarschijnlijk met een kruitvat dat Ukraïne nu is geworden.
Hoewel de EU door bemiddeling van de Poolse, Duitse en Franse ministers van Buitenlandse Zaken door hun rechtstreekse bemiddeling eindelijk een krachtige rol heeft gespeeld, blijft het oppassen. 
Soft power van de EU legt het af tegen hard power van Poetin. De vlam kan zo in de pan slaan. Aangezien emotionele motieven hier een grote rol kunnen spelen is het gevaar van militair ingrijpen door Rusland bepaald niet denkbeeldig.

What’s next, Mr Putin? Het olympisch vuur in Sotsji is inmiddels gedoofd. Wat prijkt er bovenaan de agenda van Poetin op maandagochtend? Als de vlam in de pan slaat, zullen Europese politici inzien dat voor handhaving van de vrede een krachtige krijgsmacht nodig is. En die ontbreekt in Europa. Een oud spreekwoord zegt ‘Si vis pacem, para bellum’: ‘als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog’.

Ton Welter, oud-marineofficier en oprichter van de Coalition for Defense (@coalitionfd)

































woensdag 12 februari 2014

Europa , maak nu eens werk van je defensie !




13 december 2013

Europe / EUforum en De Volkskrant

Alle EU-lidstaten bezuinigen op hun defensie. En dat gaat vrijwel zonder enige Europese coördinatie.

Beter laat dan nooit. Dat zou de eerste reactie kunnen zijn op de Europese Raad van 19 en 20 december, waar de Europese regeringsleiders en staatshoofden voor het eerst sinds lange tijd over het Europese veiligheids- en defensiebeleid zullen spreken. Voor zo'n gesprek is alle reden.

Geen 'militaire worm' meer

In 1991 typeerde de toenmalige Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Mark Eyskens, Europa als 'een economische reus, een politieke dwerg, en een militaire worm'. Nu is de EU de afgelopen jaren op veiligheidsgebied actiever geworden. Maar van de vele malen uitgesproken hooggestemde ambitie om te investeren in een daadwerkelijk gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid, inclusief een autonome militaire capaciteit, is niet zo veel terecht gekomen. En dit terwijl de wereld om ons heen verandert en ons Europeanen dwingt juist onze veiligheid als gemeenschappelijk vraagstuk serieuzer te nemen.

Versmelting externe en interne veiligheid

In een meer multipolaire wereld zijn de VS immers niet langer bereid om in laatste instantie bij te springen als de Europese veiligheid wordt bedreigd. In de directe omgeving van de EU - Noord-Afrika, het Midden-Oosten, de Kaukasus - is sprake van toenemende instabiliteit. En de dreigingen worden diverser, met als opvallendste kenmerk een versmelting van externe en interne veiligheid.

Meer samenwerking en meer eigen Europese verantwoordelijkheid lijkt daarop het logische antwoord. De Europese Raad zet daarop in. Europa moet effectiever en zichtbaarder zijn op veiligheidsgebied. Er moet meer geïnvesteerd worden in militaire capaciteiten. En de Europese defensie-industrie moet versterkt worden. De documenten die de Europese Commissie en Catherine Ashton ter voorbereiding van deze Europese Raad hebben gepubliceerd, onderstrepen nog eens de noodzaak hiervan.

Militaire missies

Juist de afgelopen jaren laten zien dat onder Europese vlag minder en vooral ook kleinschaliger missies buiten het eigen grondgebied zijn uitgevoerd. De Europese bijdrage aan mondiale veiligheid en stabiliteit bestaat veelal uit training en ondersteuning, niet uit daadwerkelijke inzet van militaire middelen. Sterker, de interventie in Libië liet zien dat de EU - bij gebrek aan eenheid en juiste middelen - bij grootschalige operaties het initiatief aan de VS en de NAVO moet laten.

In het geval van de interventies in Mali en de Centraal-Afrikaanse Republiek laat Frankrijk zich weinig gelegen liggen aan de EU. 'Wachten op Europa, is wachten op Godot', zoals een Franse diplomaat in Le Figaro opmerkte. Het besluit daar in te grijpen werd dan ook geheel unilateraal genomen. Wie wil en kan, mag een bijdrage leveren aan wat au fond een Franse operatie is.

Militaire capaciteiten

Ernstiger nog is de situatie op het vlak van militaire capaciteiten. Die capaciteiten schoten al tekort, maar onder druk van de financieel-economische crisis wordt in alle lidstaten bezuinigd op defensie. Van enige coördinatie op EU-niveau is vrijwel geen sprake. En dat terwijl juist met het oog op nu al bestaande tekorten als het gaat om cruciale middelen, afstemming ten aanzien van bezuinigingen én investeringen een voorwaarde is voor het handhaven van een geloofwaardig Europees defensieapparaat.

Ook hier geven EU-lidstaten vooral uit praktische overwegingen de voorkeur aan onderlinge samenwerking (zie de Belgisch-Nederlandse samenwerking) boven Europese afstemming. Pooling and sharing op bilaterale basis is het adagium. Daar is in beginsel niets op tegen, maar ook dat kan uiteindelijk alleen werken als die bilaterale aanpak is ingebed in een bredere Europese strategie. En die is afwezig.

Europese defensie-industrie

Waar als het gaat om aanschaf en inzet van materiaal en samenwerking tussen landen juist nu zoveel zwaarder weegt, geldt dat ook voor de ernstig gefragmenteerde Europese defensie-industrie. De EU-lidstaten investeren vergelijkenderwijs weinig in militaire research & development. Het effect daarvan wordt extra verkleind doordat lidstaten - de grote jongens voorop - hun eigen industrie beschermen. Het gevolg is duplicatie, te hoge productiekosten, te duur materiaal en verlies aan concurrentiekracht op de mondiale markten. Het grootste verlies is dat bij voortgang hiervan Europa niet meer in staat zal zijn op basis van industriële kracht in de eigen veiligheid te voorzien.

Kortom, bij alle ambities laat de werkelijkheid een kaalslag zien. De vraag is of de EU-lidstaten op 19 en 20 december bereid en in staat zijn over hun schaduw heen te springen. Zo niet, dan is er wederom sprake van een verloren Europese top en zit er zoveel jaar later nog altijd veel waars in de uitspraak van Mark Eyskens.

Jan Rood en Kees Homan, beiden verbonden aan het Instituut Clingendael

dinsdag 24 december 2013

De Defensie nota en Visie : kan het nog erger ?


De voorzitter van de KNVOL, Luitenant -Generaal b.d. Peter Striek, analyseert in dit artikel de onlangs verschenen defensienota en beantwoordt de vraag of deze wel “in het belang van Nederland” is.

In mijn artikel over het rapport “Clingendael’s visie op de krijgsmacht van de toekomst” van februari 2013 gaf ik al aan dat het een blunder van de eerste orde is dat een instituut als Clingendael bij een onderzoek naar de toekomstige krijgsmacht van Nederland uitgaat van het huidige defensiebudget.
Het zou m.i. de eenvoudige benadering van “doelstellingen, taken, middelen” moeten zijn. Een wetenschappelijk instituut zoals Clingendael zou dat moeten weten. De politieke leiding van het Ministerie van Defensie kent die methode natuurlijk ook, alsmede de leden van het kabinet die ook de defensienota moeten goedkeuren. Dat zijn echter geen wetenschappers maar politici.
Dus het is heel begrijpelijk dat de nieuwe Minister van Defensie een defensienota heeft laten opstellen binnen de financiële mogelijkheden van het hevig geslonken budget.
Die nota draagt de naam “In het belang van Nederland”.

Niet blij

De minister zegt over die nota dat Defensie een fundamentele investering is in onze vrijheid, veiligheid en welvaart. “Een robuuste en responsieve krijgsmacht is in óns belang en het past bij de positie van een handelsnatie als Nederland, in de top-10 van de meest concurrerende economieën en het 7e exportland in de wereld. De mondiale ontwikkelingen doen vermoeden dat militaire missies in de toekomst niet minder veeleisend of divers zullen worden. Een krachtige en internationaal inpasbare krijgsmacht blijft daarom nodig “, aldus de minister. Van deze constatering word ik heel blij.

In tegenstelling tot het rapport van Clingendael, verwijst de nota “In het belang van Nederland” wel naar de interdepartementale Strategische Monitor die ten grondslag ligt aan de Internationale Veiligheidsstrategie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Strategie Nationale Veiligheid van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.
Bij het kijken naar de strategische omgeving van Nederland, wordt aangegeven dat ons land als open samenleving sterk afhankelijk is van de wereld om zich heen. In die wereld is sprake van onzekerheid, afnemende stabiliteit, plots opdoemende crises en nieuwe bronnen van internationale spanning. Kortom, risico’s voor onze vrijheid, veiligheid en welvaart.
Terwijl in sommige delen van die wereld meer wordt geïnvesteerd in het defensieapparaat, is in Europa sprake van een forse afname van de defensiebestedingen. Tegelijkertijd richten de Verenigde Staten zich meer op Azië, waardoor Europa zijn belangen steeds meer zelfstandig zal moeten behartigen.
Deze constatering wordt niet afgesloten met de conclusie dat we alleen daarom al samen met de Europese partners meer aan onze defensie zullen moeten besteden; daar word ik niet blij van.

Sterkste schouders

In hoofdstuk 3 van de nota, Samenwerking, wordt aangegeven dat Nederland niet in staat is op eigen kracht zijn veiligheid te garanderen en dat daarom de NAVO de hoeksteen blijft van ons veiligheidsbeleid. Daarbij is de verdeling van lasten en risico’s tussen lidstaten essentieel voor de geloofwaardigheid en slagvaardigheid van NAVO, EU, VN en OVSE, aldus de nota.
Maar het lidmaatschap van een bondgenootschap brengt ook verplichtingen met zich. Daarbij mag naar mijn mening het bondgenootschap er wel van uitgaan dat Nederland als handelsnatie in de top-10 van de meest concurrerende economieën en het 7e exportland in de wereld (zie hiervoor) als tweede rijkste land van Europa, als 7e investeerder in de wereld, proportioneel zal bijdragen aan het bondgenootschap (zijnde de 2 % van het BNP die de NAVO vraagt aan de lidstaten). Het zou zo moeten zijn, zoals we recent in de politieke arena voortdurend horen: “de sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen”. Het is in feite een soort inkomensafhankelijke bijdrage aan vrijheid, veiligheid en welvaart.
We moeten ook eerlijk melden aan onze bondgenoten wat onze bijdrage is. We geven aan “Brussel” aan dat we ca. 1% van ons BNP besteden aan Defensie. Maar in werkelijkheid is dat slechts 0,8 % omdat Nederland ook de pensioenen en wachtgelden meerekent. We geven dus 20 % te veel aan.

Uitgangspunten

De nota “In het belang van Nederland” moet nog wat “lijken uit de kast” halen en komt dan met 2 uitgangspunten voor de samenstelling van onze krijgsmacht.

1. De krijgsmacht moet zo goed mogelijk kunnen omgaan met diffuse dreigingen en risico’s en voorbereid zijn op een scala aan inzetmogelijkheden in alle fasen van een conflict.
2. De krijgsmacht moet betaalbaar zijn, nu en op de lange termijn.

Defensie streeft naar financiële en operationele duurzaamheid, naar een relevante krijgsmacht, die internationaal is ingebed en op onderdelen afhankelijk van partners.
De uitkomsten van deze benadering zijn u intussen bekend, evenals de laatste bijstellingen waardoor een aantal ingrepen in de organisaties konden worden teruggedraaid. Wat hierbij vooral opvalt, is de kwetsbaarheid van de organisatie. Een paar kleine financiële bijstellingen leiden tot ingrijpende operationele gevolgen (deze keer positieve).

Nog niet in balans

In dit verband past de mening van de Algemene Rekenkamer (Validering van de nota “In het belang van Nederland”) dat de nota geen zekerheid biedt dat Defensie in staat zal zijn van jaar tot jaar alle uitgaven binnen de financiële ruimte te houden. De Rekenkamer constateert dat de inzetbaarheidsdoelstellingen zijn verlaagd en de ambities van de krijgsmacht en de mogelijkheden om die te realiseren weliswaar dichter bij elkaar zijn gekomen maar dat dit nog niet wil zeggen dat zij in balans zijn. “Ook met de maatregelen uit de nota is nog steeds sprake van een kloof tussen de verlaagde ambitie en de capaciteiten van de krijgsmacht waardoor ook in de toekomst concessies gedaan zullen moeten worden aan de uitvoering van taken of aan de getraindheid van het personeel”.
Toch blijft de minister van mening dat we nu financieel en operationeel duurzaam zijn.

F-35

De Algemene Rekenkamer heeft ook uitgebreid aandacht besteed aan de vervanging van de F-16. Defensie geeft aan dat met 37 F-35’s de onafgebroken gelijktijdige inzet van 4 (vier) gevechtsvliegtuigen mogelijk is ter ondersteuning van Nederlandse grondtroepen zoals eerder in Uruzgan en Kunduz. De Rekenkamer onderschrijft de stelligheid van deze uitspraak niet omdat de berekeningen van Defensie uitgaan van een regeling met België over het gezamenlijk uitvoeren van de QRA-taak boven elkaars grondgebied (hierbij speelt de soevereiniteit van beide landen een cruciale rol), die er nog niet is. Bovendien worden vraagtekens gezet bij de exploitatiekosten en is er geen rekening gehouden met mogelijk verliezen van een of meer F-35’s.
En wat gebeurt er als er bij voorbeeld maar 35 toestellen kunnen worden aangeschaft?

De kanttekening is m.i. terecht maar gaat geheel voorbij aan het feit dat we nu op het moment zijn aangekomen dat de verhouding tussen aanwezige vliegtuigen en inzetbare vliegtuigen geheel zoek is.
In de periode 1979 – 1992 zijn 213 F-16’s ingestroomd. In 1999 hadden we nog 138 toestellen en gingen we terug naar 120 F-16’s. Voor missies waren toen 54 toestellen beschikbaar (45 %). In 2007 was die verhouding 87/42 (48%), in 2011 nog maar 20 %, Tot 2023 13 % (61/8). Daarna is de F-35 ingestroomd en kunnen we 4 (vier) toestellen onafgebroken gelijktijdige inzetten; nog geen 10 % van de capaciteit. We hadden dus al vragen moeten stellen toen in 2011 nog maar 14 van de 68 toestellen voor inzet beschikbaar waren. M.i. ligt het kantelmoment bij ca. 50 %.
We gaan € 4,5 miljard investeren (over een periode van ca. 10 jaar) en per jaar € 270 miljoen aan exploitatie uitgeven om 4 vliegtuigen te kunnen inzetten! Er is dus ook geen behoefte meer aan een squadronstructuur. Dit is hét bewijs dat het defensiebudget veel te klein is om zulke dure geavanceerde vliegtuigen aan te schaffen.
Als we daarbij de intenties van de politiek nog meenemen, kan het ook nog zo zijn dat deze vliegtuigen wellicht nooit zullen worden ingezet in welk conflict dan ook. Als voorbeeld noem ik dan Libië. Daar mochten een paar F-16’s wel het luchtruim bewaken, maar zonder het gebruik van wapens.
Ik neem overigens aan dat het gepresenteerd kostenplaatje voor de F-35 inclusief de benodigde munitie is.
Verdringingseffect?

In dit kader maakt de minister overigens de opmerking dat er door de keuze voor de vervanging van de F-16 geen verdringingseffecten zullen ontstaan voor andere wapensystemen, omdat er nu een taakstellend budget is vastgesteld. Tegelijkertijd constateren we dat er ook minder vlieguren voor de Chinook helikopter in de begroting staan omdat er geen uren meer nodig zijn om Mariniers te trainen die van het JSS zouden opereren (maar het JSS komt er nu wél) en omdat één luchtmobiel bataljon op een lager niveau wordt opgeleid. Omdat er minder vlieguren worden gemaakt, ontstaat ook minder training voor de helikopter-crew. Het gevolg daarvan is dat de Chinook’s niet inzetbaar zijn voor het hoge deel van het geweldsspectrum. En dat wil zeggen dat ook de luchtmobiele brigade en/of de bataljons niet inzetbaar zijn in het hoge deel van het geweldsspectrum. Daarbij komt bovendien dat er niet eens voldoende helikoptercapaciteit is om één luchtmobiel bataljon in één slag te kunnen verplaatsen. En toch zijn er geen verdringingseffecten?

Krijgsmacht niet duurzaam

De maatregelen in de nieuwe defensienota leiden dus niet tot een financieel en operationeel duurzame krijgsmacht. Zo zou voor een gezonde defensieorganisatie een investeringspercentage nodig zijn van 
20 %. Dat wordt pas gehaald in 2018. Intussen komt de krijgsmacht tot die tijd 16 % voor investeringen tekort: € 1,2 miljard.

Ik had van een regering met de VVD als grootste partij meer visie en overtuigingskracht in de coalitie verwacht. Een visie die ten minste zou aangeven dat op dit moment iedereen de broekriem moet aanhalen, maar ook zou constateren dat het huidige budget voor Defensie niet past bij de rol en de plaats van Nederland in de wereld. De minister had een herstelplan moeten aangeven met een inhaalslag waarbij de eindsituatie voor het defensiebudget (misschien pas over 10 jaar) dicht bij de 2 % van het BNP zou moeten liggen.

Stabiliteit en veiligheid in de wereld zijn van levensbelang voor Nederland.

De krijgsmacht kan en moet in staat zijn daaraan in bondgenootschappelijk verband proportioneel bij te dragen.

De omvang en kwaliteit van onze krijgsmacht moeten in evenwicht zijn met de positie van Nederland in de wereld en de rol die we mondiaal willen spelen; er moet sprake zijn van een evenwicht tussen risk sharing en burden sharing; een evenwicht tussen ambities en taken. Nederland heeft recht op een krijgsmacht die er toe doet.

De in de nota gepresenteerde krijgsmacht is niet “in het belang van Nederland”.
… niet in het belang van onze krijgsmacht.
… niet in het belang van al die fantastische mannen en vrouwen in uniform.











donderdag 19 december 2013

Vice - Admiraal Mathieu Borsboom : In het belang van Nederland



Nederland is als maritieme handelsnatie voor onze welvarendheid voor een belangrijk deel afhankelijk van een stabiele internationale rechtsorde en vrij economisch handels-verkeer. Gezien het belang van de fysieke distributie van goederen, ligt het niet voor de hand dat dit snel zal veranderen. De bulk van de intercontinentale im- en export gaat per schip via nauwe zeestraten en hebben een ‘just in time’ karakter. Iedere onderbreking van de goederenstroom over zee, hoe kort ook, heeft een significant economisch effect. Dat weet iedereen binnen de maritieme wereld.

Nieuwe economische en geopolitieke grootmachten zijn in opkomst. Dit zorgt ook militair voor een hoge mate van onzekerheid. Het internationale systeem heeft bovendien steeds meer een multipolair karakter gekregen. Drugskartels hebben vaak meer financiële middelen tot hun beschikking dan de overheden in de landen waar zij actief zijn. De afwezigheid van een goed functionerende rechtsorde in landen als Somalië heeft bijgedragen aan de opkomst van piraterij.

Veiligheid op zee is dus geen vanzelfsprekendheid meer. Daarom investeren wij als Koninklijke Marine in maritieme taken in het lagere deel van het geweldsspectrum, zonder de kans op een conflict in het hogere geweldsspectrum uit het oog te verliezen. We erkennen daarbij dat maritieme operaties in de 21e eeuw verschuiven van beheersing van grote zeegebieden, naar controle op maritieme knooppunten, scheepvaartroutes, kustwateren en conflicten op de grens van land en water.

Nederland heeft daarmee een marine die klaar is voor haar taken, afgestemd op de huidige vraag. Maar de vraag is of wij de ‘veiligheid op en vanuit zee’ ook in de toekomst kunnen blijven bieden. Door toenemende bezuinigingen is onze operationele slagkracht immers onder druk komen te staan. We kunnen daarom niet meer op alle fronten veiligheid bieden. Zelfs niet met de steun van onze internationale partners. De bodem is bereikt.
Ondanks dat ben ik trots op ‘mijn’ marine. Met relatief weinig middelen leveren wij een hoogwaardig en betaalbaar operationeel product. De Koninklijke Marine kan dan ook zonder schroom worden aangeduid als ‘triple A’. Een marine die op alle fronten Active, Adaptive en Affordable is. U steunt ons door het belang van de marine niet als vanzelfsprekend te beschouwen en ons publiekelijk te ondersteunen. Samen werken we immers in het belang van Nederland en de welvaart voor onze Nederlanders. En dat mag best verteld worden!

Deze colum werd op 18 december jl. gepubliceerd in Maritiem Nederland

Valt Japan China aan voor het te laat is ?



China roert zich in de regio, Japan dreigt daarvan de dupe te worden en de VS zitten er tussenin. 
Het wachten is op een grote klap, schrijft  Jonathan Holslag.

Twee Amerikaanse bommenwerpers dreunden vorige week boven de Oost-Chinese Zee, dwars door de luchtverdedigingszone die China er had afgekondigd. Daarmee leek het strategisch evenwicht in de regio opnieuw hersteld, zoals dat ook in de voorbije jaren gebeurde, telkens als Peking zijn militaire macht zeewaarts uitbreidde. Niets is echter verraderlijker dan die ogenschijnlijke voorspelbaarheid. Het is inderdaad zo dat de Verenigde Staten nog veel speelruimte hebben om het Chinese opstomen in de Pacifische regio te vertragen, maar dat geldt niet voor de buurlanden zoals Japan. In de Pacifische regio is de vraag niet zozeer of China de Verenigde Staten zal uitdagen wanneer eerstgenoemd land sterk genoeg is, maar of Japan de wapens zal opnemen alvorens het daarvoor te zwak wordt.

De rivaliteit in de Stille Oceaan is in wezen een geopolitiek ‘nul-somspel’ tussen Peking en Washington. Al sinds de jaren vijftig probeert Amerika mogelijke uitdagers af te blokken aan de veiligheidsperimeter die zich uitstrekt van Japan tot Australië. Daarvoor onderhoudt het een keten van militaire bases en de machtige Zevende Vloot. China daarentegen wil dat kordon doorbreken. Het is trouwens exact zestig jaar geleden dat Mao Zedong de opdracht gaf om een nieuwe muur op te werpen, op zee deze keer, van plaatstaal, sensoren en kanonnen. Sindsdien heeft China een strak stappenplan om zijn militaire macht verder en verder naar het oosten te projecteren, voorbij Taiwan, voorbij het strategische eiland Guam en uiteindelijk tot aan Hawaii. Het succes van de ene speler is het verlies van de andere.

China mag dan nog niet in staat zijn om de imponerende Zevende Vloot voorbij de eerste eilandengordel uit te dagen, daarbinnen krijgt de maritieme muur van Mao stilaan gestalte. De Chinese werven lanceren nieuwe oorlogsboten in een verpletterend tempo, met de laatste vijf jaar alleen al een vliegdekschip, twee grote amfibische schepen, zes destroyers, zestien fregatten, achttien korvetten en zes onderzeeërs. Die vloot wordt beschermd met uiterst modern luchtdoelgeschut en enkele honderden gespecialiseerde gevechtsvliegtuigen. Tezelfdertijd heeft China zwaar ingezet op asymmetrische oorlogvoering, met zeemijnen, ballistische raketten die Amerikaanse vliegdekschepen kunnen raken, platforms voor elektronische verstoring en de capaciteit om vijandige satellieten te verblinden of uit te schakelen.

De VS hebben daarop gereageerd met hun zogenoemde offshore control. De bedoeling van die strategie is China in geval van een conflict op te sluiten binnen de eerste eilandengordel, de maritieme aanvoerroutes af te snijden en bondgenoten te beschermen. Peking is naarstig op zoek naar opties om zo’n blokkade te doorbreken of te omzeilen, maar de meeste defensieplanners gaan ervan uit dat het daar nog twintig jaar voor nodig heeft; twintig jaar die ook Washington kan gebruiken om zijn positie te verstevigen.

Zoveel tijd heeft Japan echter niet. De spanningen tussen Japan en China worden vaak herleid tot het territoriale conflict over de Oost-Chinese Zee, maar dat is slechts een belangrijk symbolisch pijnpunt. De perceptie bij de Japanse beleidselite is dat – hoewel de VS gewoontegetrouw steun beloven – het lot van Japan ze eigenlijk geen moer kan schelen. Washington zal de archipel opofferen zodra een conflict met China dreigt en zal in afwachting daarvan eisen dat het land zich gedeisd houdt. Daarvan maken de Chinezen gebruik om de Japanse archipelstaat te omzwermen. Hun zeemacht houdt de ene na de andere oefening in de omgeving. De Japanse economie wordt geleidelijk aan leeggezogen. De demografische achteruitgang gaat gestaag voort. China hoeft alleen maar te wachten terwijl de Japanse macht stilaan zo dun wordt als een blaadje rijstpapier, klaar om weggeblazen te worden als dat Peking uitkomt.

Meer nog, die Japanse beleidselite staat ook bijzonder sceptisch tegenover de Abenomics, het soort economische politiek dat inzet op de devaluatie van de munt, de verruiming van de geldhoeveelheid en grootse infrastructuurprojecten. „Het probleem is dat we ons nog meer in de schulden werken terwijl de bevolking afneemt,” vertelde me een medewerker bij de Japanse centrale bank. „De enige manier om dit recht te trekken is de productiviteit te verhogen door innovatie en door meer van buitenlandse welvaart te profiteren. We zijn nu enkel bezig met het verzachten van de symptomen. De rekening voor die opportunistische therapie dreigt ondraaglijk hoog te worden.” Veel beleidsmakers houden rekening met een nieuwe stagnatie zodra de geldverruiming ophoudt, en met meer handelsgeschillen als de Abenomics wordt doorgedrukt. „Eigenlijk verklaren we met ons beleid de oorlog aan al onze economische partners.”

Hier hebben we alle elementen voor een toekomstige confrontatie. De kantelende machtsbalans tussen China en Japan leidt tot onzekerheid. Als het Japanse economische beleid inderdaad faalt, zal het land zich ongetwijfeld moeten schikken naar de toenemende invloed van Peking. Maar juist dat zal het lonend maken voor nationalistische politici om de angst bij de Japanse bevolking te bespelen en de binnenlandse spanningen te projecteren op het conflict met China.

In zo’n kruitvat is het slechts wachten op een nieuw incident om een nieuwe Pacifisch pandemonium te doen uitbreken.

Jonathan Holslag is docent internationale politiek aan de Vrije Universiteit Brussel. Zijn nieuw boek over Europa in de Aziatische eeuw verschijnt in februari.



Dit artikel is verschenen in het NRC Handelsblad van dinsdag 3 december 2013 op pagina 16 & 17